65 - scheepsramp op de Amer

Samen met familie en/of vrienden kerst vieren is bij heel veel gezinnen een sfeervolle en gezellige traditie. Als je in de familie in de decembermaand te maken krijgt met een dodelijk ongeval, dan is de kerstviering en oud en nieuw zeker geen feestelijke periode. Dat maakt een deel van een collectief doodsprentje van drie bij een scheepsramp op 11 december 1939 omgekomen Verenaren heel duidelijk. ‘Met diepen rouw staan vrouw en kinderen rondom de lijkbaar van deze arbeidzame mannen en zorgvolle vaders, wiens gezamenlijke tragische dood, huis en gemeente, in verslagenheid brengt. In opgewekte stemming varen zij op de vroegen Maandagmorgen uit met het hoopvolle vooruitzicht, om na een moeizame week van arbeid, weer terug te keeren naar hun gezin en hun huis. En de dood grijpt in, ontrukt alles wat hun dierbaar is, nog vóór zij hun arbeid begonnen zijn.’ De omgekomen Verenaren waren Jacobus (Koos) van Delft (geb. 25 januari 1873), Gerardus (Gerrit) van Seters (geb. 4 augustus 1880) en Antonius Lambertus (Toon) van Strien (geb. 21 november 1881).

Amer Donge

Zoals elke week gingen vijf arbeiders, naast de eerdergenoemde drie personen ook de 57-jarige Hubertus Adrianus (Huib) van Schijndel en zijn 17-jarige zoon Adrianus Cornelis (Arjaan), allen uit Raamsdonksveer, vroeg in de ochtend op maandag 11 december 1939 per roeiboot naar de Biesbosch om daar in de hakgrienden hun werk te verrichten; een hele week hard labeur in het getijdengebied bij een temperatuur om het vriespunt, om pas vrijdagavond weer terug te roeien naar hun geboortedorp. Door een oponthoud varen ze iets later dan gewoonlijk het Zuidergat uit. Na de Donge afgevaren te zijn komen ze op de veel bredere Amer, waar het nog steeds aardedonker is. In plaats van direct in noordelijke richting de Amer naar het Spijkerboor over te steken, varen zij, wellicht gehinderd door het getij en de duisternis, te lang rechtdoor en komen in het vaarwater terecht van het scheepvaartverkeer dat de Donge opvaart.

Luxe motorschip

Vanuit Drimmelen is Cornelis Adriaan (Kees) van der Sluijs, de 20-jarige zoon van puinhandelaar Simon van der Sluijs, beide woonachtig aan de Heerengracht 22 te Drimmelen, met het 60-ton metende luxe-motorschip ‘Maria Catharina’ van zijn vader onderweg naar Breda en vaart richting de Donge. Aan boord waren ook drie knechten, die plotseling een schok voelen en constateren al snel dat ze een roei-aak hebben overvaren. De motor wordt onmiddellijk afgezet en ze proberen de drenkelingen te redden. Daarbij zetten ze een aantal scheepsluiken overboord, waaraan de onfortuinlijke mannen zich wellicht in veiligheid kunnen brengen. Als enige lukt het Huib van Schijndel om op een van de luiken te klimmen. Hij wordt gered en van hem horen ze dat er vijf mannen in de roei-aak zaten, waaronder zijn 17-jarige zoon. De ‘Maria Christina’ vaart met de geredde Huib van Schijndel terug naar Drimmelen, waar het schip in afwachting van het onderzoek door de Rijkspolitie en de gemeentepolitie van Drimmelen voorlopig aan de ketting wordt gelegd. Intussen wordt de zoekactie naar de vier drenkelingen voortgezet. Een uur na het ongeluk worden de ontzielde lichamen van Koos van Delft en Toon van Strien gevonden. Zij worden aanvankelijk in een loods van Rijkswaterstaat in Drimmelen neergelegd, om later op de dag overgebracht te worden naar het Sint-Theresia-ziekenhuis in Raamsdonksveer. Twee dagen later, op woensdag 13 december, wordt ook het lichaam van Gerrit van Seters gevonden. Het lichaam van de 17-jarige Arjaan van Schijndel is, waarschijnlijk ten gevolge van de strenge winter en het kruiende ijs, nooit gevonden.

Roeiaak

Het ongeluk kreeg veel aandacht van de landelijke pers; zo stonden er artikelen in onder andere het Nieuwsblad van Friesland, Het Volksdagblad en de Nieuwe Tilburgsche Courant. Algemene tendens in de persberichten is de oorzaak van het ongeluk waarschijnlijk een samenloop van omstandigheden. Over de verlichting zijn diverse dagbladen heel duidelijk. Zo kopt Dagblad der Staatkundige Gereformeerde Partij ‘De Banier’ in het artikel op 12 december 1939: ‘Niet-verlichte roeiboot in het donker overvaren’, terwijl ‘Het Vaderland’ opent met: ‘Onverlichte roeiboot door motorboot overvaren.’  De verlichting van het motorschip bleek in orde te zijn, maar is wegens de duisternis door de roeiende griendwerkers waarschijnlijk niet opgemerkt. Het zal altijd een raadsel blijven of zij het motorschip wel hebben horen aankomen. Zeker is wel dat de ramp zich zo snel heeft voltrokken dat van uitwijken geen sprake meer kon zijn. Na het bekend worden van het ongeluk heerst er grote verslagenheid onder de Veerse bevolking; schoolkinderen worden naar huis gestuurd om dat er ‘iets heel ergs is gebeurd’. Onder grote belangstelling worden enkele dagen later de stoffelijke resten van Koos van Delft, Gerrit van Seters en Toon van Strien, na een gemeenschappelijke uitvaartdienst in de O.L. Vrouw hemelvaart-kerk in Raamsdonksveer, op de R.K.-begraafplaats ter aarde besteld. In een van de krantenartikelen wordt vermeld dat door de Rijkspolitie en de gemeentepolitie van Drimmelen een onderzoek naar de toedracht van het ongeluk wordt ingesteld. Uitvoerig onderzoek, onder andere in het archief van de arrondissementsrechtbank in Breda, door stadshistoricus Bas Zijlmans naar de toedracht van het ongeval, de schuldvraag en een eventueel rechtelijke uitspraak, heeft geen resultaat opgeleverd. 

Tekst: Jan Hoek (met dank aan stadshistoricus Bas Zijlmans, die veel onderzoek naar de scheepsramp heeft verricht)

© 2020 Oudheidkundige Kring Geertruydenberghe
Locatie 9 Websitebouw